Selecteer een pagina

Belastingplannen 2019

Op 18 september 2018, Prinsjesdag, heeft het Kabinet Rutte III de belastingplannen voor 2019 bekend gemaakt. Veel van deze plannen zijn al bekend uit het Regeerakkoord en uit uitgelekte informatie. Het gaat in totaal om maar liefst 7 wetsvoorstellen. Onderstaand in vogelvlucht een aantal highlights.

Wil je weten wat de maatregelen beteken voor jouw fiscale en financiële planning?
Wij zetten het graag voor je op een rij.

Koopkracht

Er is veel te doen over de koopkracht. Bijna iedereen zou er in 2019 op vooruit moeten gaan. Er zijn veel factoren die de koopkracht beïnvloeden. De verbetering van de koopkracht vindt plaats gelijktijdig met de verschuiving van de heffing van loon- en inkomstenbelasting naar de heffing van BTW. Maar daarnaast spelen zaken als toeslagen een belangrijke rol voor de koopkracht.

Inkomstenbelasting

De belangrijkste maatregel in de inkomstenbelasting is de invoering van het tweeschijvenstelsel. Het inkomen uit werk en woning (box 1) tot € 68.507 wordt belast tegen het basistarief; het meerdere tegen het toptarief. Met ingang van 2021 bedraagt het basistarief voor niet-AOW-ers (belasting en premies): 37,05%. Het toptarief wordt 49,5%. Met het oog op de premies wordt de eerste tariefschijf overigens wel in 2 delen opgesplitst.

Daarnaast wordt er opnieuw gesleuteld aan de heffingskortingen. Dat zijn de bedragen die in mindering komen op de berekende inkomstenbelasting. Via de heffingskortingen wordt het interessanter gemaakt om te werken. De arbeidskorting wordt verhoogd en de afbouw van de inkomensafhankelijke combinatiekorting verloopt anders.

Een ook al aangekondigde maatregel betreft het tegen het laagste tarief aftrekbaar zijn van diverse aftrekposten. Dit betreft de volgende aftrekposten:

  • ondernemersaftrek (zelfstandigenaftrek, meerwerkaftrek, startersaftrek, stakingsaftrek en S&O-aftrek);
  • MKB-winstvrijstelling;
  • TBS-vrijstelling;
  • persoonsgebonden aftrek (uitgaven voor onderhoudsverplichtingen, specifieke zorgkosten, weekeinduitgaven gehandicapten, scholingsuitgaven en giften).

Dit wordt, net als het tarief voor de aftrek van de eigen woning, in een aantal stappen gerealiseerd. Onderstaand het overzicht van de tarieven waartegen de aftrekposten in de jaren 2018 tot en met 2023 worden gerealiseerd:

2018 2019 2020 2021 2022 2023
Eigen woning 49,50% 49,00% 46,00% 43,00% 40,00% 37,05%
Aftrekposten 51,95% 51,75% 46,00% 43,00% 40,00% 37,05%

De tarieven in box 2 (inkomen uit aanmerkelijk belang) worden verhoogd naar 26,9%. Dit tarief is verschuldigd in 2021. In 2019 blijft het huidige tarief van 25% gehandhaafd en in 2020 wordt een tarief van 26,25% gehanteerd.

Voor DGA’s kondigt het Kabinet een rekening-courantmaatregel aan. De contouren van deze maatregel worden beschreven in de aanbiedingsbrief bij het pakket belastingplan 2019. In 2022 wordt het bedrag van de schulden van de DGA aan de BV(‘s) boven € 500.000 aangemerkt als een belaste winstuitdeling (belast tegen het tarief in box 2; zie hiervoor). Voor een eigen woningschuld van de DGA een de BV komt er een overgangsregeling.

BTW

In het kader van de BTW gaat het met name om drie wijzigingen:

  • verhoging van het verlaagde BTW-tarief (van 6% naar 9%);
  • omvorming van de regels voor kleine ondernemers;
  • verruiming van de sportvrijstelling.

De verhoging van het verlaagde BTW-tarief is al aangekondigd in het Regeerakkoord. We beschreven de gevolgen van deze maatregel als in onze factsheet Verhoging verlaagd BTW-tarief (6% wordt 9%). De belangrijkste posten waarvoor het verlaagde BTW-tarief wordt toegepast, beschrijven we in het artikel Verhoging verlaagde BTW-tarief kost gemiddeld € 300.

Ook de omvorming van de KOR (kleine ondernemersregeling) was al aangekondigd. We schreven er over in ons artikel De KOR wordt gemoderniseerd. De hoogte van de te hanteren omzetgrens was toen nog niet duidelijk. Deze grens wordt gelegd op € 20.000. Ondernemers die in een jaar een omzet realiseren van minder dan € 20.001 kunnen er voor kiezen om niet aan de BTW deel te nemen. Ze dragen dan geen BTW af, maar hebben uiteraard ook geen recht op aftrek van BTW. Een kleine ondernemer is minstens 3 jaar aan de keuze gebonden. Wanneer de omzetgrens wordt overschreden, ontstaat BTW-plicht met ingang van de transactie waarmee de grens wordt overschreden.

De verruiming van de sportvrijstelling (en de subsidieregeling in het leven wordt geroepen) beschreven we al in ons artikel Subsidieregeling stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties.

Dividendbelasting

De discussie omtrent de afschaffing van de dividendbelasting zal niemand zijn ontgaan. Het voorstel tot afschaffing van de dividendbelasting is onderdeel van de belastingplannen 2019. Of dit voorstel de eindstreep haalt, is nog geenszins zeker.

Voor DGA’s heeft de afschaffing van de dividendbelasting geen gevolgen voor de belastingdruk. De dividendbelasting is voor hen immers een voorheffing op de inkomstenbelasting in box 2. We leggen het uit in ons artikel Dividendbelasting afgeschaft, maar wel AB-heffing.

Gelijktijdig met de afschaffing van de dividendbelasting wordt een nieuwe bronbelasting op dividenden ingevoerd. Deze heffing richt zich op dividenden naar laagbelaste landen en op misbruiksituaties.

Vennootschapsbelasting

Het tarief van de vennootschapsbelasting wordt verlaagd. Dat gebeurt stapsgewijs. Het overzicht van de tarieven voor de komende jaren:

2018 2019 2020 2021
Winst tot € 200.000 20,00% 19,00% 17,50% 16,00%
Winst boven € 200.000 25,00% 24,30% 23,90% 22,25%

De verlaging van de tarieven wordt gefinancierd met een aantal maatregelen, die de heffingsgrondslag (het bedrag waarover de vennootschapsbelasting wordt berekend) verbreden:

  • een maatregel tegen earningsstripping;
  • fiscale beleggingsinstellingen wordt niet langer toegestaan om te beleggen in Nederlands onroerend goed;
  • de voorwaartse verliesverrekening wordt versoberd (de termijn wordt verkort van 9 naar 6 jaar);
  • de afschrijving op gebouwen in eigen gebruik wordt beperkt (de bodemwaarde wordt 100% van de WOZ-waarde).

Loonbelasting

De maatregelen betreffende de tarieven en kortingen, zoals beschreven onder het kopje inkomstenbelasting, gelden uiteraard ook voor de loonbelasting.

De vrijwilligersregeling wordt ietsje verruimd. De regeling is van toepassing indien de totale vergoeding (geld en natura) van de vrijwilliger per maand niet meer bedraagt dan € 170 (was € 150) en per kalenderjaar niet meer dan € 1.700 (was € 1.500).

De regels rond de (elektrische) fiets van de zaak worden vereenvoudigd. Vanaf 1 januari 2020 kan worden volstaan met een bijtelling bij het loon van de werknemer van 7% van de nieuwwaarde van de fiets. Die bijtelling moet jaarlijks worden gedaan. De regeling mag alleen worden toegepast indien de fiets mede zakelijk wordt gebruikt. Daarvoor wordt het woon-werkverkeer als zakelijk aangemerkt. Voor een uitsluitend zakelijk gebruikte fiets hoeft niet te worden bijgeteld, maar in dat kader telt het woon-werkverkeer niet als zakelijk.

De looptijd van de voor expats van belang zijnde 30%-regeling wordt verkort van 7 naar 5 jaar. Dit geldt ook voor lopende gevallen! Na verloop van deze termijn kunnen niet de daadwerkelijke extraterritoriale kosten van de expat belastingvrij worden vergoed.

Ten aanzien van ZZP-ers en het bestrijden van schijnzelfstandigheid (de opvolging van de Wet DBA) bevatten de belastingplannen geen nieuws. De ingang van de nieuwe regels in dit leerstuk is, zo blijkt uit een eerder al gepubliceerd tijdspad, voorzien per 1 januari 2020.

Verder komen er diverse wijzigingen in arbeidsrechtelijke regelingen. Dat betreft onder andere de WAB, de WIEG en de compensatie voor de transitievergoeding.

Andere artikelen