13-09-2019

Beleggers betalen fors meer in de nieuwe box 3

In ons artikel “Spaargeld tot € 440.000 belastingvrij” van begin van deze week steken we in op de prettige kant van de aangekondigde wijzigingen voor de heffing van inkomstenbelasting over inkomen uit sparen en beleggen (box 3). We wijzen in dat artikel ook op de keerzijde voor beleggers, die in deze plannen fors meer belasting gaan betalen. Graag lichten we die keerzijde nog een keer extra toe. Wellicht wordt het binnenkort tijd om de joker in te gaan zetten!

Beleggers

Met de term beleggers doelen we op iedereen die andere in box 3 belast vermogensbestanddelen heeft dan banktegoeden. Dat kunnen effecten (aandelen, obligaties of andere stukken) zijn, maar ook vastgoed en vorderingen (bijvoorbeeld op kinderen, waaronder schuldigerkenningen).

Voor de definitie van het begrip spaartegoed wordt verwezen naar de Wft. Die komt er op neer dat alleen echte bankrekeningen onder dit begrip vallen. Het gaat derhalve (globaal) om betaalrekeningen, spaarrekeningen, deposito’s en andere soortgelijke tegoeden bij bankinstellingen.

Forfaitaire rendementen

In het nieuwe systeem voor box 3 sluiten de rendementen waarover de belasting wordt berekend meer aan bij het daadwerkelijke rendement. Toch wordt nog steeds met vooraf (forfaitair) bepaalde rendementen gerekend. Met het oog op de rijksbegroting wil de overheid namelijk goed kunnen inschatten hoeveel de inkomsenbelasting over het inkomen uit sparen en beleggen bedraagt.

Op basis van de huidige rendementen zou het forfaitaire inkomen over spaartegoeden bedragen: 0,09%. Dat sluit aan bij de actuele spaarrente. Het forfaitaire inkomen over het andere vermogen in box 3 zou op basis van de huidige situatie neerkomen op 5,33%. Tot slot wordt voor schulden een forfaitaire rente vastgesteld van 3,03%.

De forfaitaire rendementen worden jaarlijks vastgesteld op basis van de recente daadwerkelijke rendementen. Het nieuwe systeem moet op 1 januari 2022 van kracht worden. Welke rendementen dan actueel zijn, kan nu uiteraard nog niet worden voorzien.

Vastgoed

Om te laten zien dat het om een fors bedrag aan extra inkomstenbelasting gaat, rekenen we één voorbeeldje met je door.

Een vastgoedbelegger, zonder fiscaal partner, heeft in box 3 een betaalrekening, met een saldo van € 10.000 en een spaarrekening waar € 140.000 op staat. Verder is er een bescheiden effectenportefeuille, waarvan de waarde € 275.000 bedraagt. Het vastgoed heeft een waarde van € 2.500.000 en is gefinancierd met schulden voor een bedrag van € 1.500.000.

Betaalrekening 10.000
Spaarrekening      140.000
Totaal banktegoeden 150.000
Effectenportefeuille 275.000
Vastgoed 2.500.000
Totaal bezit in box 3 2.925.000
Schulden -1.500.000
Saldo box 3 1.425.000

De belasting in box 3 wordt in 2019 als volgt berekend:

Saldo box 3 1.425.000
Heffingvrij vermogen      -30.360
Grondslag 1.394.640
Berekening rendement
1.9351% * 71.650 1.386
4,4513% * 918.086 40.867
5,6% * 404.904       22.675
Totaal rendement 64.928
Belasting 30% 19.478

De belastingdruk, afgezet tegen het vermogen, bedraagt: 1,37%.

Deze situatie doorgerekend naar de door de Staatssecretaris bekend gemaakte plannen leidt tot het volgende:

Banktegoeden 150.000 0,09% 135
Overig bezit 2.775.000 5,33% 147.908
Schulden -1.500.000 3,03%   -45.450
Totaal rendement 102.593
Heffingvrij inkomen        -400
Belastbaar rendement 102.193
Belasting 33% 33.724

De belastingdruk, afgezet tegen het vermogen, bedraagt nu: 2,37%.

Conclusie: met ingang van 2022 betaalt deze vastgoedbelegger fors meer inkomstenbelasting over zijn vermogen in box 3. Dit komt neer op een bedrag van € 14.246 (€ 33.724 -/- € 19.478).

Actie!

Het is nog niet handig om nu al actie te ondernemen, anders dan het inventariseren van de mogelijke effecten van de nieuwe regeling. Er ligt op dit moment namelijk nog niet meer dan een brief waarin Staatssecretaris Snel zijn plannen uitlegt aan de Kamer.

Het voor de wijziging benodigde wetsvoorstel zal geen onderdeel zijn van de komende dinsdag (Prinsjesdag) te presenteren belastingplannen voor 2020. Snel verwacht het wetsvoorstel voor het zomerreces van 2020 gereed te hebben (dat komt er meestal op neer dat de stukken in juni 2020 naar de Kamer worden gestuurd). Hopelijk behandelt de kamer de voorstellen dan in de tweede helft van 2020 en is er eind 2020 duidelijkheid over de definitieve regeling. We hebben dan tot en met 31 december 2021 om maatregelen uit te voeren.

Complicaties

Complicerend is wel dat er nog meer relevante wijzigingen zijn doorgevoerd en/of aangekondigd. Zo wordt het tarief over het inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) in 2020 verhoogd van 25% naar 26,25% en in 2021 naar 26,9%. De kans dat deze tariefverhoging, net als de tariefverlaging voor de vennootschapsbelasting, in de belastingplannen voor 2020 wordt teruggedraaid, achten wij zeer klein.

En DGA’s moeten rekening houden met de maatregelen ter bestrijding van excessief lenen van de eigen BV (ook wel bekend als de rekening-courantmaatregel). We beschrijven die maatregel in ons artikel “Bestrijding van excessief lenen van de eigen BV“. De wetteksten van deze maatregel zullen wel op Prinsjesdag openbaar worden gemaakt.