Rechtbank Gelderland heeft onlangs geoordeeld dat de door een directeur-grootaandeelhouder (DGA) bezochte voetbalwedstrijden terecht zijn belast als loon. Zoals zo vaak blijkt ook in deze zaak de bewijsvoering cruciaal.
3 vragen
Of door een ondernemer gedane uitgaven kwalificeren als aftrekbare kosten moet worden bepaald aan de hand van de volgende vragen:
- Zijn de uitgaven gedaan met een zakelijk doel?
- Is met de uitgaven ook een privédoel gemoeid?
- Zou een redelijk denkend ondernemer de uitgaven in dezelfde mate hebben gedaan?
De bewijslast voor de eerste vraag rust op de ondernemer. Voor vraag twee en drie rust de bewijslast op de Belastingdienst.
Seizoenkaarten
De zaak betreft een BV, die alle aandelen houdt in een BV waarin een schoonmaakbedrijf wordt uitgeoefend. De Schoonmaak-BV trekt de uitgaven voor 2 seizoenkaarten voor Ajax af van haar winst, alsmede de uitgaven voor 22 kaarten voor een Europese wedstrijd van Ajax.
De Belastingdienst legt aan de BV een naheffingsaanslag loonbelasting op voor de door de Schoonmaak-BV betaalde (seizoen)kaarten, stellende dat die voor de DGA van de BV loon in natura zijn.
De BV (en de DGA) stellen dat de (seizoen)kaarten acquisitiemiddelen zijn om potentiële klanten mee te nemen naar wedstrijden of in de gelegenheid te stellen wedstrijden bij te wonen. Bovendien stellen zij dat de DGA tijdens de wedstrijden in het stadion nieuwe contacten opdoet, die zich ontwikkelen tot nieuwe omzet. Vervolgens stellen zij dat de Belastingdienst aannemelijk moet maken dat sprake is van loon in natura.
De Rechtbank beslist echter dat de BV haar stellingen op geen enkele wijze met bewijsstukken heeft onderbouwd. Letterlijk overweegt de Rechtbank: “Het is een feit van algemene bekendheid dat het bezoeken van voetbalwedstrijden in hoge mate een recreatief karakter heeft. De rechtbank houdt het er daarom voor dat werknemers, zo zij een wedstrijd hebben bezocht, deze hebben bezocht uit eigen persoonlijke behoeftenbevrediging. Het is vervolgens aan belanghebbende om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken, waaruit het zakelijk karakter van de verstrekking volgt.”.
Pleitbaar standpunt?
De BV heeft, aldus de Rechtbank, geen enkel bewijsstuk aangeleverd voor de door haar ingenomen stellingen. Naar aanleiding van de stelling van de BV dat zij een pleitbaar standpunt heeft ingenomen, overweegt de Rechtbank: “Naar objectieve maatstaven gemeten kon belanghebbende niet menen dat de fiscale kwalificatie die zij aan de verstrekking van de kaarten gaf, namelijk dat geen sprake was van loon, juist was. Dit geldt temeer, omdat belanghebbende op geen enkele wijze heeft geadministreerd voor welk doel en door wie de kaarten werden gebruikt.”.
