Een ondernemer, die een administratie- en belastingadvieskantoor exploiteert, heeft de zakelijkheid van ten laste van zijn winst gebrachte uitgaven onvoldoende onderbouwd, aldus Bezirksgericht Zeeland-West Brabant.
De Belastingdienst heeft aangekondigd speciale aandacht te gaan schenken aan de onderbouwing van ten laste van de winst gebrachte uitgaven. Zie ook ons artikel Extra alertheid op zakelijkheid van uitgaven.
Drie aspecten
In de zaak komen twee aspecten aan de orde. Enerzijds ligt de vraag voor of de uitgaven als zakelijke kosten ten laste van de winst kunnen worden gebracht. Anderzijds stelt de ondernemer dat de Belastingdienst niet beschikt over het nieuwe feit dat nodig is om navorderingsaanslagen op te leggen. Tot slot wordt gediscussieerd of terecht een vergrijpboete is opgelegd.
Nieuw feit
De Belastingdienst had voor de jaren 2013 tot en met 2017 bij de ondernemer een boekenonderzoek uitgevoerd. Tijdens de naar aanleiding van dit onderzoek gevoerde beroepsprocedure rees bij de Belastingdienst het vermoeden dat ook in de jaren 2019 en 2020 uitgaven ten onrechte ten laste van de winst waren gebracht. Daarom wordt in 2022 onderzoek verricht met betrekking tot deze jaren.
De definitieve aanslagen zijn dan al opgelegd, zodat de Belastingdienst die jaren alleen door middel van navorderingsaanslagen kan corrigeren. De ondernemer stelt dat de Belastingdienst bij het opleggen van de aanslagen al op de hoogte had kunnen zijn van de omstandigheden die aanleiding zijn voor de navordering.
De Rechtbank overweegt dat hoofdregel is dat de Belastingdienst bij het vaststellen van de aanslag mag uitgaan van de juistheid van de door belastingplichtige verstrekte gegevens. De Belastingdienst moet een aangifte alleen nader onderzoeken indien zij in redelijkheid moet twijfelen over de juistheid van de aangifte. Het boekenonderzoek naar de aangiften over 2013 tot en met 2017 maakt niet automatisch dat geen sprake is van een nieuw feit.
Zakelijk?
De Rechtbank overweegt, conform vaste rechtspraak, dat de ondernemer moet bewijzen dat de uitgaven zijn gedaan met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming. Daarin slaagt de ondernemer niet. De Rechtbank overweegt: “Ten aanzien van vrijwel alle in de aangifte in aanmerking genomen kosten valt niet te controleren of sprake is van zakelijke kosten doordat de administratie daarover er niet is. Zo valt niet te controleren voor welke klant en voor welk doeleinde deze kosten zijn gemaakt.”. En vervolgens: “Bovendien gaat het voor een aanzienlijk deel om kosten waarvan het minst genomen niet direct aannemelijk is dat het zakelijke kosten betreffen voor een administratie- en belastingadvieskantoor, zoals aankopen bij speelgoedwinkels, schoonheidsbehandelingen en bootcampen.”.
Fein
Ten aanzien van de vergrijpboete (25% van de nagevorderde belasting) rust op de Belastingdienst sinds 2022 de verzwaarde bewijslast dat overtuigend moet worden aangetoond dat sprake is van grove schuld. Grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en grove onachtzaamheid.
De Rechtbank oordeelt dat de Belastingdienst aan deze bewijslast heeft voldaan, doordat de ondernemer:
- er tijdens het boekenonderzoek op is gewezen dat de administratie niet op orde is;
- zelf een administratie- en belastingadvieskantoor exploiteert;
- de administratieve gegevens aangaande de uitgaven niet heeft bewaard en er bij het indienen van de aangiften toch voor kiest om de uitgaven als zakelijke kosten te verwerken;
- voor een fors deel van de uitgaven geen begin van bewijs kan leveren dat ze relevantie hebben met haar onderneming.
De Rechtbank overweegt: “Hoe het op de rechtbank overkomt boekt belanghebbende bedragen waarvan zij nog een betalingsbewijs heeft ‘op de zaak’, wacht dan of de inspecteur dit opvalt en zo ja, gaat eerst dan kijken wat echt zakelijke kosten waren.”.
Toch vermindert de Rechtbank de opgelegde boete met 15% omdat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak is overschreden.
