Welke belangrijke fiscale voorstellen kwamen op Prinsjesdag 2025 uit het koffertje van minister Heinen van Financiën? Wij zetten de tien belangrijkste voor je op een rij.
1. Fiscale normering markt voor voertuigen gericht op personenvervoer
Het kabinet introduceert per 1 januari 2027 een pseudo-eindheffing van 12% over de cataloguswaarde van fossiele personenauto’s (niet volledig emissievrij) die werkgevers aan werknemers ter beschikking stellen voor privédoeleinden, inclusief woon-werkverkeer. De maatregel richt zich op voertuigen met M1-classificatie (bijv. personenauto’s, kampeerauto’s, busjes tot 9 zitplaatsen) en geldt alleen indien de auto vanaf 2027 voor het eerst ter beschikking wordt gesteld. Voor bestaande gevallen geldt overgangsrecht tot 17 september 2030. De pseudo-eindheffing is niet verhaalbaar op de werknemer en geldt niet bij exclusief zakelijk gebruik. Het doel is werkgevers te stimuleren om over te stappen op emissievrije voertuigen, waarmee een substantiële versnelling van het aandeel elektrische auto’s in het zakelijke wagenpark en extra CO2-reductie wordt beoogd. Motorrijwielen, bestelauto’s en vrachtauto’s vallen buiten deze regeling. Evaluatie volgt drie jaar na invoering.
2. Maatregelen lucratiefbelangregeling
Per 1 januari 2026 wordt de heffing over voordelen uit een middellijk gehouden lucratief belang, waarvoor de aanmerkelijkbelangvariant geldt, verhoogd via een grondslagverbredende multiplier. Hierdoor wordt de effectieve belastingdruk in box 2 verhoogd tot maximaal 36%, afhankelijk van de schijf waarin het voordeel valt. Daarnaast wordt de regeling aangepast om te voorkomen dat door het ontstaan van een aanmerkelijk belang verliezen uit aanmerkelijk belang zodanig kunnen worden verrekend dat de belastingheffing over voordelen uit lucratief belang (nagenoeg) vervalt.
3. Aanpassingen box 3
Met ingang van 1 januari 2026 wordt het forfait voor overige bezittingen in box 3 verhoogd door de berekeningsmethode van het langetermijnrendement op onroerende zaken aan te passen. Daarbij wordt voortaan expliciet rekening gehouden met huurinkomsten en het voordeel van eigen gebruik. Het forfait voor overige bezittingen stijgt hierdoor tot 7,78%. Daarnaast wordt het heffingvrije vermogen verlaagd van € 57.684 naar € 51.396 per belastingplichtige. Deze maatregelen gelden tot de invoering van het nieuwe box 3-stelsel in 2028.
4. Voorstel ongelijke breukdelen bij een huwelijksgoederengemeenschap
Met ingang van 1 januari 2026 wordt voorgesteld dat het aandeel van een echtgenoot in een huwelijksgoederengemeenschap, of het bedrag dat via een verrekenbeding meer toekomt dan 50%, bij ontbinding van de gemeenschap belast is met erf- of schenkbelasting. Dit voorkomt dat door ongelijke breukdelen of verrekenbedingen vermogen onbelast tussen echtgenoten overgaat. Voor bestaande gevallen tot 18 april 2025 geldt een overgangsregeling; latere wijzigingen vallen onder het nieuwe regime.
5. Verduidelijking fietsregeling
De bijtellingsregeling voor een door de werkgever of voor een IB-ondernemer ter beschikking gestelde fiets wordt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 aangepast. Indien de fiets niet of slechts incidenteel (niet meer dan bijkomstig) bij het woon- of verblijfadres wordt gestald, geldt de bijtelling op nihil. Dit betekent dat in zulke situaties geen loon- of inkomstenbelasting is verschuldigd. De wijziging geldt voor alle soorten fietsen, inclusief deelfietsen en hubfietsen, en verduidelijkt de toepassing van de bestaande bijtelling.
6. Verlegging ingangsdatum belastingrente erfbelasting en aangiftetermijn erfbelasting
Voorgesteld wordt de aangiftetermijn voor de erfbelasting te verlengen van acht naar twintig maanden na het overlijden. Tegelijkertijd wordt het startpunt voor het berekenen van belastingrente eveneens verlegd naar twintig maanden. Hiermee wordt belastingplichtigen meer tijd geboden om over de benodigde gegevens te beschikken en een juiste en volledige aangifte te doen, waardoor in veel minder gevallen belastingrente verschuldigd zal zijn. De maatregelen gelden voor overlijdens vanaf 1 januari 2026 en vereenvoudigen zowel het aangifteproces voor belastingplichtigen als de uitvoering door de Belastingdienst.
7. Uitsluiten niet-marktconform handelende gelieerde partijen van toepassing leegwaarderatio
Het kabinet stelt voor te regelen dat de leegwaarderatio in box 3 en de Successiewet niet kan worden toegepast indien een woning wordt verhuurd of verpacht aan een gelieerde partij tegen een niet-marktconforme prijs. In die gevallen geldt voortaan de WOZ-waarde zonder afslag. Ook kan geen beroep meer worden gedaan op de jurisprudentie van de Hoge Raad die het toestond de waarde in het economische verkeer te hanteren. Gelieerde partijen die wel marktconform verhuren, behouden de mogelijkheid de leegwaarderatio toe te passen.
8. Reparatie box 3-tegenbewijsregeling voor obligaties en andere vermogensbestanddelen met kortlopende termijnen
De tegenbewijsregeling in box 3 wordt aangepast om ontwijking via aankoop van obligaties met aangegroeide rente of vergelijkbare vermogensbestanddelen te voorkomen. Voortaan moeten obligaties en vergelijkbare effecten bij de tegenbewijsregeling worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer inclusief aangegroeide rente, en vervalt de vrijstelling voor kortlopende termijnen, behoudens banktegoeden. De wijziging geldt met terugwerkende kracht vanaf 25 augustus 2025, 16.00 uur, en bevat overgangsrecht voor eerder aangekochte vermogensbestanddelen om mismatches te voorkomen.
9. Akkoord ‘Gezond naar het pensioen’
De tijdelijke RVU-drempelvrijstelling wordt vanaf 2026 structureel voortgezet met een verhoging van het drempelbedrag met € 300 bruto per maand (geïndexeerd naar minimumloon). Hierdoor kunnen werknemers drie jaar voor hun AOW-leeftijd uittreden zonder dat de werkgever pseudo-eindheffing betaalt tot dit bedrag. Voor hogere uitkeringen wordt het tarief van de pseudo-eindheffing stapsgewijs verhoogd tot 65% in 2028. De regeling wordt beheerst en gericht toegepast voor werknemers met zwaar werk, met monitoring, evaluatiemomenten en de mogelijkheid tot bijsturing via AMvB.
10. Verlengen verlaagde accijnstarieven voor ongelode benzine, diesel en LPG
De per 1 juli 2023 geldende accijnstarieven voor ongelode benzine, diesel en LPG blijven ook in 2026 ongewijzigd en worden pas per 1 januari 2027 weer aangepast. Door af te zien van indexatie wordt de accijnskorting voor 2026 feitelijk ruimer dan in voorgaande jaren. Hiermee blijven de tarieven boven de EU-minimumniveaus. De maatregel verlaagt tijdelijk de brandstofkosten en leidt tot lagere belastingopbrengsten. In 2027 volgt een onderzoek naar de grenseffecten van het beëindigen van de verlaging.
