Hof Den Bosch oordeelt dat een rente van 7,3% op een familielening onzakelijk hoog is.
Familielening
De belanghebbende en zijn partner in deze zaak hebben in 2018 de aankoop en verbouwing van de eigen woning deels gefinancierd met een lening van € 350.000 bij (schoon)vader. De voorwaarden voor de lening luiden:
- looptijd 30 jaar;
- annuïtaire aflossing;
- geen hypothecaire zekerheid;
- rente 7,3% per jaar (en afsluitprovisie € 1.000);
- rentevast periode 5 jaar;
- mogelijkheid om op elk moment boetevrije versneld af te lossen;
- verplichting om af te lossen zodra bancaire herfinanciering mogelijk is;
- direct opeisbaar bij (onder andere) echtscheiding;
- de verplichting om overlijdensrisicoverzekeringen te sluiten, die tot zekerheid worden gegeven aan de (schoon)vader.
Belanghebbende en de Belastingdienst zijn het erover eens dat de lening als eigen woningschuld kwalificeert. Ook is niet in geschil dat het geleende bedrag is aangewend voor de aanschaf of de verbouwing van de woning. De rente en kosten van de lening zijn derhalve aftrekbare kosten met betrekking tot de eigen woning.
Het geschil gaat over de vraag of de rente van 7,3% onzakelijk hoog is. De Belastingdienst neemt aftrekbare rente in aanmerking tegen een tarief van 2,75%.
Belanghebbende moet bewijzen
De bewijslast voor de hoogte van de rente rust op belanghebbende. Het Hof concludeert dat aan deze bewijslast niet is voldaan. De stelling dat geen enkele bank het benodigde bedrag van € 350.000 aan belanghebbende wil lenen, wordt niet voldoende onderbouwd met een hypotheekindicatie op basis van een te lage koopsom voor de woning. Belanghebbende heeft geen offerte(s) gevraagd voor een banklening.
Het Hof volgt de Belastingdienst in haar stelling dat de lening het best vergelijkbaar is met een 30-jarige annuïtaire bankfinanciering met een 5 jaar vaste rente periode. Met ING- en DNB-overzichten maakt de Belastingdienst aannemelijk dat, afgezien van het ontbreken van hypothecaire zekerheid, de lening zou zijn verstrekt tegen een rente van 2,15%. Dit percentage verhoogt de Belastingdienst met 60 basispunten omdat geen hypothecaire zekerheid is verstrekt.
Ook de verwijzing naar de rente op de door belanghebbende gesloten overbruggingsleningen (6%) helpt hem niet. Het Hof overweegt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de feiten en omstandigheden waaronder deze leningen zijn verstrekt, vergelijkbaar zijn met de feiten en omstandigheden waaronder de lening van € 350.000 is verstrekt.
