Selecteer een pagina

BOF voortzettingseis is keihard

bedrijfsopvolgingsfaciliteit BOF VWGNijhof

De bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) is de verreweg grootste vrijstelling in de erf- en schenkbelasting (zie ook ons artikel Vrijstellingen schenkbelasting). Om van deze hoge vrijstelling gebruik te kunnen maken, moet aan een aantal strikte voorwaarden worden voldaan.

BOF

De BOF is, zowel voor de erfbelasting als voor de schenkbelasting, van toepassing ten aanzien van:
– vermogen dat behoort tot een IB-onderneming;
– aanmerkelijk belangaandelen in een vennootschap, voor zover die een materiële onderneming drijft.

Voor zover de waarde van de onderneming minder bedraagt dan € 1.060.298 is de verkrijging voor 100% vrijgesteld. Van het deel van de waarde boven € 1.060.298 is 83% vrijgesteld. Voor de niet onder de vrijstelling vallende waarde van de verkrijging van ondernemingsvermogen of aandelen kan 10 jaar uitstel van betaling worden verkregen.
De BOF is derhalve meer dan de moeite waard om de structuur van ondernemingen, testamenten en dergelijke zodanig in te richten dat er optimaal van kan worden geprofiteerd.

Voortzetting

Een belangrijke voorwaarde voor de toepassing van de BOF is dat de verkregen onderneming of aandelen gedurende tenminste 5 jaar na de verkrijging niet mogen worden vervreemd. Voor de erf- of schenkbelasting waarop de BOF wordt toegepast, wordt een zogeheten conserverende aanslag opgelegd. Zodra in strijd met de voortzettingseis is gehandeld, wordt deze conserverende aanslag door de Belastingdienst ingevorderd. Nadat de 5 jaar zijn verstreken zonder dat in strijd met de voortzettingseis is gehandeld, wordt de conserverende aanslag verminderd naar nihil.

Strikt

De voortzettingseis wordt strikt gehandhaafd. Alleen een aantal in de uitvoeringsregeling concreet genoemde handelingen mag in de 5 jaarstermijn worden uitgevoerd zonder dat alsnog erf- en/of schenkbelasting is verschuldigd. Dat hier weinig speelruimte in zit, bleek in een onlangs door de Commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven van de Tweede Kamer behandelde zaak.

Dat betrof een in gemeenschap van goederen gehuwde vader, wiens echtgenote in 2012 was overleden. In dat verband verkreeg hij 50% van de tot de huwelijksgemeenschap behorende aandelen in een B.V. Op deze verkrijging werd voor de erfbelasting de BOF toegepast.
In 2015 wilde vader alle aandelen in de B.V. schenken aan zijn zoon. De Belastingdienst nam daarop het standpunt in dat de in verband met het overlijden van moeder toegepaste BOF werd teruggedraaid omdat niet aan de voortzettingseis werd voldaan. Daarnaast kon op de schenking aan de zoon de BOF niet worden toegepast. Voorwaarde voor de toepassing van de BOF op een schenking is namelijk dat de schenker de betreffende aandelen voorafgaand aan de schenking al minstens 5 jaar in bezit heeft.
De BOF mocht wel worden toegepast op de schenking van de 50% van de aandelen die op grond van het huwelijksvermogensrecht steeds in het bezit van vader waren geweest.

Vervolgens deden belanghebbenden een beroep op de zogeheten hardheidsclausule. De Staatssecretaris van Financiën wees dat beroep echter af, omdat geen sprake zou zijn van een onbillijkheid van overwegende aard (er was geen sprake van een gevolg dat de wetgever had voorkomen, als hij dat gevolg bij het maken van de wet had voorzien).
De Commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven van de Tweede Kamer bevestigt dit oordeel van de Staatssecretaris.

Andere artikelen