Hof Arnhem-Leeuwarden heeft beslist dat aan het tussenschakelen van een BV van de kinderen weinig reële praktische en economische betekenis toekomt.
Herstructurering
De zaak betreft een belanghebbende en haar echtgenoot die aandelen houden in een Holding-BV. Deze Holding-BV houdt de aandelen van een Werk-BV, die (onder andere) eigenaar is van vastgoed.
In 2007 vindt een herstructurering plaats:
- het vastgoed wordt door werk-BV overgedragen aan belanghebbende en zijn echtgenote;
- de aandelen in werk-BV worden gecertificeerd en de certificaten van de aandelen worden gehouden door de (5) kinderen van belanghebbende en haar echtgenoot (leeftijd van de kinderen: 15 tot 28 jaar). Belanghebbend en haar echtgenoot zijn de bestuurders van de stichting administratiekantoor (STAK);
Werk-BV verhuurt het vastgoed grotendeels aan derden voor feesten en evenementen. Belanghebbende en de Belastingdienst zijn het erover eens dat de huur zakelijk is. Holding-BV heeft het recht om voor Werk-BV de catering te verzorgen voor deze feesten en evenementen. Voor een klein deel wordt de onroerende zaak verhuurd aan holding-BV.
Terbeschikkingstellingsregeling
De Belastingdienst neemt het standpunt in dat belanghebbende en haar echtgenote de inkomsten uit het vanaf 2007 tot hun privévermogen behorende vastgoed moeten aangeven in box 1 op grond van de terbeschikkingstellingsregeling. Dat is aan de orde wanneer het vastgoed ter beschikking wordt gesteld aan een BV waarin de eigenaren van het vastgoed een aanmerkelijk belang houden. Belanghebbende en haar echtgenoot houden na de herstructurering een aanmerkelijk belang in Holding-BV, maar niet meer in Werk-BV. De certificaten van aandelen in Werk-BV zijn dan immers in handen van de kinderen. Belanghebbende en haar echtgenoot zijn daarom van mening dat het vastgoed niet in box 1, maar in box 3 moet worden belast.
Reële betekenis
Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende en haar echtgenoot de facto het vastgoed ter beschikking stellen aan (hun eigen) Holding-BV. Dit oordeel velt het Hof op basis van de volgende omstandigheden:
- belanghebbende en haar echtgenoot hebben als bestuurders van de STAK de zeggenschap over Werk-BV;
- Werk-BV had geen personeel in dienst en huurt voor al haar werkzaamheden personeel in van Holding-BV;
- Holding-BV heeft het recht om namens Werk-BV de catering te verzorgen, tegen een vergoeding van een bepaald percentage van de door Werk-BV gerealiseerde omzet;
- alleen met toestemming van Holding-BV mag Werk-BV de catering aan een derde uitbesteden, tegen betaling van een vergoeding aan Holding-BV;
- sinds 2007 heeft werk-BV jaarlijks structureel verlies geleden (op één jaar na);
- Holding-BV heeft een instandhoudingsverklaring afgegeven aan Werk-BV, op grond waarvan Holding-BV financiële ondersteuning blijft verlenen aan Werk-BV;
- de feitelijke situatie na de herstructurering verschilt nauwelijks van de feitelijk situatie voor de herstructurering.
Verder leidt het Hof uit de parlementaire geschiedenis van de terbeschikkingstellingsregeling af dat het begrip “ter beschikking stellen” ruim moet worden uitgelegd en dat daarbij een economische benadering past. Het Hof citeert de volgende passage uit de parlementaire toelichting: “… is deze formulering gekozen om zeker te stellen dat de toepassing van de terbeschikkingstellingsregeling niet kan worden ontgaan door de enkele tussenschakeling van een derde. Dat vereist een materiële beoordeling van de vraag in hoeverre sprake is van twee geheel verschillende economische relaties of dat de derde feitelijk niet meer is dan een intermediair zodat het economische belang feitelijk bij de belastingplichtige berust.”.
