Vorige week beschreven we een uitspraak waarin de Rechtbank Zeeland-West-Brabant beslist dat uitgaven, die een BV doet voor adviezen over bedrijfsopvolging, in het kader van de vennootschapsbelasting niet kwalificeren als van de winst van de BV aftrekbare kosten. Zie ons artikel Advisory fees not deductible.
Inmiddels heeft voornoemde rechtbank haar ruling gepubliceerd in dezelfde zaak, maar nu wordt beslist over de vraag of de BV de op de uitgaven drukkende BTW als voorbelasting mag aftrekken.
In het verlengde van de uitspraak inzake de vennootschapsbelasting concludeert de Rechtbank dat de advieskosten geen zakelijke kosten zijn van de BV. Niet de BV is de afnemer van de door de adviseurs geleverde prestaties, maar de aandeelhouder (aangezien de aandeelhouder geen BTW-ondernemer is, zit daar geen recht op aftrek van BTW).
Daarnaast is de Rechtbank van mening dat geen sprake is van een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de advieskosten en de economische activiteiten van de BV.
De uitspraak in de BTW-kwestie is op 28 augustus 2025 gedaan, zodat ook voor deze zaak de beroepstermijn nog niet is verlopen.
Wij zijn benieuwd of een trilogie wordt voltooid doordat ook nog (de publicatie van) een uitspraak van de Rechtbank volgt over de vraag of in het kader van de inkomstenbelasting sprake is geweest van een (verkapte) dividenduitkering.
