Selecteer een pagina

Zuidasconstructies

Ze krijgen de laatste tijd in de pers veel aandacht: de zuidasconstructies. Waar gaat het dan over?

DGA

We hebben het over de directeur-grootaandeelhouder (DGA). Die exploiteert een onderneming via een (maar in de praktijk vaak meerdere) BV, participeert via een BV in een onderneming of houdt na verkoop van de onderneming het vermogen (deels) aan in een BV.

De winsten van een BV worden in Nederland belast met vennootschapsbelasting. Het tarief van die belasting bedraagt in 2022: 25,8%. Voor de eerste € 395.000 van het belastbaar bedrag geldt een fors lager tarief: 15%.

Winst uit de BV halen

Wanneer de DGA de winst van de BV wil gebruiken om leuke dingen van te betalen, zijn er grofweg 3 manieren om middelen uit de BV te halen: 1) salaris, 2) dividend en 3) lenen.

Het salaris dat de DGA uit de BV geniet, is aftrekbaar van de winst van de BV. Maar het wordt belast met inkomstenbelasting tegen een tarief van 49,5% (over het deel van het inkomen tot ongeveer € 69.000 is ongeveer 37% aan inkomstenbelasting verschuldigd). De DGA die € 100.000 aan bruto salaris van zijn BV ontvangt, houdt daar netto van over: € 59.125 (zonder rekening te houden met andere inkomsten, aftrekposten en dergelijke).

Dividend mag niet worden afgetrokken van de winst van de BV en wordt met inkomstenbelasting belast tegen een tarief van 26,9%. Wanneer de BV € 100.000 winst maakt, is € 15.000 (15%) aan vennootschapsbelasting verschuldigd. De winst na belasting, € 85.000, kan worden uitgekeerd. Daarover is € 22.865 (26,9%) aan inkomstenbelasting verschuldigd. Netto ontvangt de DGA aan dividend: € 62.135. Dat is meer dan wat netto overblijft van het salaris (van het salaris boven € 69.000 blijft slechts 50,5% over).

De DGA die leent van zijn BV is over het geleende bedrag geen belasting verschuldigd. Maar lenen impliceert wel dat het bedrag niet definitief aan de BV is onttrokken: de lening moet op enig moment worden terugbetaald.

Constructies

De als zuidasconstructies beschreven situaties komen er op neer dat DGA’s nu min of meer wordt verweten dat ze, binnen de geldende wet- en regelgeving, van de hiervoor beschreven methoden de voor hen fiscaal meest gunstige kiezen.

Op grond van de geldende wetgeving moet de DGA, die voor zijn BV werkt, een gebruikelijk salaris aan de BV onttrekken. Dat salaris moet minstens € 48.000 bedragen of, als dat hoger is, 75% van het salaris dat in de meest vergelijkbare dienstbetrekking wordt genoten, dan wel 100% van het salaris van de meestverdienende werknemer. Door binnen deze regels het salaris zo laag mogelijk vast te stellen, wordt de (hoge) heffing van 49,5% voorkomen.

Door geen dividend uit te keren, kan de heffing van 26,9% worden uitgesteld. Maar dat uitstel is al geruime tijd niet meer oneindig. Deze belastingclaim kan bij verkoop van de aandelen van de BV, bij het overlijden van de DGA en diverse andere situaties namelijk alleen nog worden doorgeschoven (onder voorwaarden) indien en voor zover de BV (in)direct een materiële onderneming drijft.

De mogelijkheden om van de BV te lenen worden hoogstwaarschijnlijk binnen afzienbare tijd beperkt door de invoering van het wetsvoorstel excessief lenen. Dit wetsvoorstel beschrijven wij in onze factsheet Wet excessief lenen bij eigen vennootschap. Het Kabinet Rutte IV heeft aangegeven dit wetsvoorstel te willen invoeren, waarbij de drempel wordt verhoogd van € 500.000 naar € 700.000.

Of er nog meer wetswijzigingen komen, is een politieke keuze. Tot die tijd staat het de DGA vrij om de fiscale keuzes zo te maken als hij of zij dat wenst.

Andere artikelen