09-04-2019

Schenking onder uitsluiting blijft bij de ontvangende echtgenoot

Schenkingen die een echtgenoot heeft ontvangen onder een uitsluitingsclausule blijven van die echtgenoot. Dat heeft de Hoge Raad onlangs bevestigd.

Gemeenschap van goederen

De zaak betreft een man en een vrouw, die in 1985 met elkaar zijn getrouwd in gemeenschap van goederen. De vrouw ontvangt in 2002, 2004 en 2006 een schenking van €10.000 (in totaal dus €30.000). De schenker heeft bepaald dat het geschonken bedrag buiten de gemeenschap van goederen blijft (uitsluitingsclausule).

In 2014 komt het huwelijk ten einde door echtscheiding. De echtelijke woning wordt verkocht. Mevrouw vordert de helft van de daarbij gerealiseerde meerwaarde (opbrengst minus schulden), zijnde de helft van de gemeenschap van goederen. Daarnaast meent ze recht te hebben op €30.000 in verband met de door haar ontvangen schenkingen.

Uitsluitingsclausule

De Hoge Raad geeft de vrouw gelijk. Door de uitsluitingsclausule, die de schenker aan de schenkingen heeft meegegeven, zijn de schenkingen haar privévermogen gebleven. Daar doet niet aan af, zo bevestigt de Hoge Raad, dat ze de ontvangen bedragen op de gezamenlijke bankrekening heeft gestort.

Die storting levert haar een vorderingsrecht op jegens de gemeenschap van goederen. Dit recht blijft in stand wanneer het echtpaar het geld besteed voor de aflossing van gemeenschapsschulden. Tot de gemeenschapsschulden horen ook de consumptieve bestedingen van het stel.

Op de man rust de bewijslast dat zijn ex-vrouw de schenkingen heeft gebruikt om haar privéschulden af te lossen. Daarin slaagt hij niet. De gelden zijn in 2014 niet meer traceerbaar in het vermogen aanwezig. Niet duidelijk is waar ze precies aan zijn besteed. Ook is er geen vastlegging van wat man en vrouw over de besteding van de gelden met elkaar hebben afgesproken. De man slaagt er dan ook niet in het vermoeden te ontkrachten dat de schenkingen zijn gebruikt voor als gemeenschappelijke schulden aan te merken consumptieve uitgaven.

Het arrest van de Hoge Raad betreft het (huwelijksvermogen)recht zoals dat vóór 1 januari 2018 gold.