05-06-2020

Opheffing verpandings- en overdrachtsverboden

Minister voor Rechtsbescherming Dekker van heeft een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer dat verboden tot overdracht of verpanding van vorderingen opheft (Wet opheffing verpandingsverboden). Hierdoor krijgt het MKB meer ruimte voor het ophalen van kredieten.

Verpanding

Verpanding betreft de mogelijkheid om een vordering tot zekerheid te geven voor de nakoming van aangegane schulden. De schuldeiser kan de verpande vordering uitwinnen wanneer de schuldenaar niet aan zijn of haar verplichtingen voldoet.

Overdracht van een vordering geschiedt door middel van cessie. De overdrager van de vordering ontvangt van de overnemer een koopsom voor de waarde van de overgenomen vordering. Wanneer de cessie rechtsgeldig aan de schuldenaar is betekend, kan deze alleen nog bevrijdend rente en aflossing betalen aan de overnemer.

Verpandings- en/of overdrachtsverbod

Op grond van het huidige artikel 83, lid 2 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek mag de schuldenaar als voorwaarde voor een geldlening stellen dat de schuldeiser zijn of haar vordering niet mag overdragen en/of niet mag verpanden.

Van deze verboden wordt veelvuldig gebruik gemaakt, vooral door grote partijen, in sectoren als de bouw. Het verpandings- en/of overdrachtsverbod wordt overeengekomen om te voorkomen dat partijen met een wisselende schuldeisers te maken krijgen.

Nietig

Het wetsvoorstel Wet opheffing verpandingsverboden bepaalt dat verpandings- en overdrachtsverboden nietig zijn als ze betreffen:

  • een geldvordering op naam;
  • die voortkomt uit de uitoefening van een bedrijf of beroep.

Uitgezonderd zijn geldvorderingen:

  • uit hoofde van een betaal- of spaarrekening;
  • uit hoofde van een krediet- of geldleningsovereenkomst, waarbij aan de kant van de kredietgever meerdere partijen betrokken (zullen) zijn;
  • van of op een clearinginstelling, centrale tegenpartij, afwikkelende instantie, verrekeningsinstituut of centrale bank;
  • die zullen worden betaald op een g-rekening.

De nietigheid geldt ook voor bedingen die indirect beogen de verpanding of overdracht van vorderingen tegen te gaan, zoals een boetebeding of een geheimhoudingsbeding. Ook een gedeeltelijk verbod op verpanding of overdacht is nietig.

Een negative pledge (een verklaring dat niet aan een ander een sterker zekerheidsrecht zal worden verstrekt) en een pari passu clausule (een verklaring dat geen activa tot zekerheid zijn gegeven en dat ook niet zal geschieden) vallen niet onder de nietigheid.

Overgangsrecht

De nietigheid geldt ook voor verpandings- en overdrachtsverboden in op het moment van ingang van het wetsvoorstel bestaande rechtsverhoudingen. Voor deze bestaande contracten gaat de nietigheid in vanaf 3 maanden na de inwerkingtreding van de wet.