Selecteer een pagina

Naheffing in 2015, hoe zit dat precies?

Vorige week schreven we in ons artikel “Een ezel stoot zich …” al over de als “naheffingen” aangekondigde onverwacht lagere teruggaven of hogere te betalen bedragen aan inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2014 als gevolg van wetswijzigingen die niet tijdig in de computersystemen van de Belastingdienst zijn verwerkt. Inmiddels is duidelijk om welke wijzigingen het concreet gaat.

Elke belastingplichtige heeft in Nederland recht op de algemene heffingskorting. Dat is een bedrag dat wordt afgetrokken van de berekende inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Voor 2014 bedraagt de maximale algemene heffingskorting:
– voor belastingplichtigen die jonger zijn dan de AOW-gerechtigde leeftijd: € 2.103;
– voor belastingplichtigen die ouder zijn dan de AOW-gerechtigde leeftijd: € 1.065.

Ingaande 2014 is deze algemene heffingskorting inkomensafhankelijk gemaakt. Dat betekent dat de korting lager is, naarmate het inkomen hoger is. De vermindering bedraagt 2% van het inkomen boven € 19.645, maar de heffingskorting bedraagt minimaal € 1.366 (voor belastingplichtigen ouder dan de AOW-gerechtigde leeftijd: € 693)

Een voorbeeld van iemand in de leeftijd van 35 jaar met een inkomen van € 45.000. De verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen bedraagt dan (voor het gemak nemen we alleen de algemene heffingskorting mee in de berekening):

36,25% * € 19.645 = 7.121
42% * € 25.355 = 10.649
17.770
Algemene heffingskorting 2.103
Vermindering (2% * € 25.355) 507
Saldo algemene heffingskorting 1.596
16.174

Met al deze elementen wordt rekening gehouden bij de inhouding van de loonheffingen. Een “naheffing” ontstaat dan ook niet, behalve wanneer de belastingplichtige/werknemer een beloning ontvangt die met loonheffingen wordt belast op basis van de tabel voor bijzondere beloningen, zoals bijvoorbeeld de uitbetaalde (over)uren, het vakantiegeld of een (eindejaars)bonus.

Als de belastingplichtige in ons voorbeeld een eindejaarsbonus van € 5.000 zou ontvangen, wordt op basis van de tabel voor bijzondere beloningen aan loonbelasting ingehouden: 42% * € 5.000 = € 2.100. Geen rekening wordt gehouden met de inkomensafhankelijke vermindering van de algemene heffingskorting van 2% * € 5.000 = € 100. Deze korting wordt wel berekend naar aanleiding van de aangifte inkomstenbelasting, waardoor op die aangifte voornoemd bedrag van € 100 moet worden bijbetaald.

Als de belastingplichtig in ons voorbeeld een ZZP-er is, worden op de inkomsten uiteraard geen loonheffingen ingehouden. Wel hebben bijna alle ZZP-ers eind 2013 een voorlopige aanslag voor 2014 ontvangen. In die voorlopige aanslag is in het geheel geen rekening gehouden met de inkomensafhankelijk vermindering op de algemene heffingskorting. Als deze ZZP-er een inkomen geniet van € 45.000 moet hij of zij naar aanleiding van de aangifte over 2014 extra aan inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen betalen een bedrag van € 507 (zie de berekening hiervoor). Het maximaal terug te betalen bedrag is uiteraard gelijk aan het verschil tussen de maximale en de minimale algemene heffingskorting: €2.103 -/- € 1.366 = € 737 (in de artikelen in de pers afgerond op € 750).

Dit alles was al bekend toen de maatregel in 2013 onder de grote politieke druk van het bijna vallen van het Kabinet Rutte II werd aangenomen, maar heeft recent rond de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Belastingplan 2015 pas de aandacht gekregen die het verdient.

Andere artikelen