27-03-2019

Maaltijden niet altijd forfaitair waarderen

In ons artikel Je hebt al snel een bedrijfskantine lees je dat, in het geval waarin een maaltijd minder kost dan de forfaitaire waarde, je toch over de forfaitaire waarde loonbelasting moet afdragen. Onlangs beslist de Rechtbank Noord-Nederland dat dit niet hoeft. Wat is er aan de hand?

Maaltijden

Het gaat om maaltijden, die je als werkgever verstrekt aan werknemers (loon in natura). Wanneer die maaltijden niet meer dan bijkomstig zakelijk zijn, moet je loonbelasting afdragen over de waarde van de maaltijd. Daarvoor geldt een forfaitaire waardering: in 2019 moet je per maaltijd over € 3,35 loonbelasting afdragen.

De hoofdregel voor de waardering van loon in natura is dat hiervoor de waarde in het economisch verkeer wordt gehanteerd. In het kader van de loonbelasting is dat de waarde inclusief de BTW, ook als je de BTW volledig hebt afgetrokken. De forfaitaire waardering van maaltijden op € 3,35 is een uitzondering op deze hoofdregel.

Goedkoper

Maar wat als je maaltijd goedkoper is dan die € 3,35? Dat kan bijvoorbeeld wanneer je wat brood, beleg en ander zaken inkoopt en de werknemers daarvan zelf hun lunch laat klaarmaken. Hof Den Haag besliste begin dit jaar dat je dan voor de loonbelasting toch € 3,35 per maaltijd in aanmerking moet nemen. Rechtbank Noord-Nederland bepaalt een goede twee maanden later dat het loonbestanddeel mag worden gewaardeerd op de lagere werkelijke kosten.

De uitspraak van het Hof gaat over de tekst van de wet, zoals die gold tot en met 2011. Die bepaalt dat voor bepaalde loonbestanddelen regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de waardering. Die regel luidt dat de verstrekking van een niet meer dan bijkomstig zakelijke maaltijd wordt gewaardeerd op € 3,35. Dat de werkelijke kosten van de maaltijd lager zijn, doet daar niet aan af.

Met ingang van 2012 is dit gewijzigd en luidt de regel dat niet in geld genoten loon op een lager bedrag kan worden vastgesteld. De Rechtbank stelt vast dat deze waarderingsregel alleen geldt wanneer daardoor een lagere waarde wordt vastgesteld; niet wanneer dat zou resulteren in een hogere waarde. Als de werkgever kan onderbouwen dat de waarde in het economisch verkeer van de maaltijd lager is dan € 3,35 moet die lagere waarde in aanmerking worden genomen.

Sinds 2012 is aan de hoofdregel, die luidt dat de waarde van loon in natura wordt gesteld op de waarde in het economisch verkeer, toegevoegd dat wanneer het loon van derden wordt ingekocht, de waarde in het economisch verkeer gelijk wordt gesteld aan de factuurwaarde. In ons voorbeeld dus het totaal van de waarde van de voor de lunch ingekochte ingrediënten (inclusief BTW).