Hof Den Haag heeft, in een zaak waarin de Belastingdienst zich wel erg verschuilt achter de regelgeving, beslist dat een loon voor een DGA van slechts € 7.500 voldoet aan de gebruikelijk loonregeling.
Bewijslast
Als eerste voert de Belastingdienst aan dat de bewijslast voor het lagere (gebruikelijk) loon, dan het destijds (2022) geldende normbedrag van € 48.000, op belanghebbende rust. In die stelling moet het Hof uiteraard meegaan. Maar het Hof is het niet met de Belastingdienst eens dat belanghebbende in deze zaak niet aan deze bewijslast heeft voldaan.
Verlieslatend
De Belastingdienst beroept zich er vervolgens op dat de enkele omstandigheid dat door de betaling van een gebruikelijk loon (€ 48.000) bij de BV een verlies ontstaat, niet een zakelijke reden is om het loon lager vast te stellen.
Het Hof oordeelt echter dat belanghebbende voldoende heeft onderbouwd dat uitbetaling van het door de Belastingdienst vastgesteld loon een direct gevaar is voor de continuïteit van de BV. De BV behaalde in 2022 en de voorgaande jaren – afgezien van eenmalige coronasteun in 2021 – zeer bescheiden (mede door het lage loon van de DGA positieve) exploitatieresultaten. En de DGA heeft ook niet anderszins gelden aan de vennootschap onttrokken. Het Hof acht aannemelijk dat het door de vennootschap opgebouwde vermogen nodig was om voortzetting en eventuele uitbreiding van de exploitatie van de onderneming mogelijk te maken. Dat in 2022 nog geen sprake is van een structurele verliessituatie, doet daar niet aan af.
Het Hof overweegt ook nog dat de stelling van de Belastingdienst, dat alleen moet worden beoordeeld of in de BV voldoende liquiditeiten aanwezig zijn voor de betaling van de loonbelasting, in strijd is met de parlementaire behandeling van de gebruikelijk loonregeling.
Vooruit kijken
Het Hof gaat mee in de stelling van de Belastingdienst dat voor de toepassing van de gebruikelijk loonregeling niet hoeft te worden gekeken naar feiten en omstandigheden die zich voordoen in de periode na afloop van het jaar waarop de beoordeling betrekking heeft. Het Hof voegt daar echter aan toe: “Dat neemt echter niet weg dat de Inspecteur bij de beslissing of een naheffingsaanslag moet worden opgelegd of de wijze waarop een bezwaarschrift wordt afgehandeld na 31 december 2022 zijn ogen niet gesloten mag houden voor de omstandigheid zoals hier aan de orde dat de onderneming vanaf 2022 verliesgevend is gebleven en reeds in 2025 behoudens leegverkoop is gestaakt.”.