Je aangifte IB 2017: heffingskortingen

Korting bij de Belastingdienst? Jazeker! Geen acties in de trant van “Van/Voor” of “2 voor de prijs van 1“. Wel bedragen die je mag aftrekken van het totaal van je inkomstenbelasting.
Ook de betalingskorting is een echte korting.

Heffingskortingen

We kennen in Nederland een flink scala aan heffingskortingen. We kunnen ze in dit artikel onmogelijk allemaal uitgebreid behandelen.

De belangrijkste is uiteraard de algemene heffingskorting. Daarop heeft elke binnenlands belastingplichtige recht. Zie voor buitenlands belastingplichtigen ons artikel Heffingskorting buitenlands belastingplichtige.

Een simpel rekensommetje laat zien hoe de heffingskortingen passen in de berekening van de verschuldigde inkomstenbelasting. Voor de berekening van de belasting over de inkomens in de boxen verwijzen wij naar ons artikel over Het tarief.

Belasting over box 1 8.250
Belasting over box 2 10.000
Belasting over box 3 650
Totaal belasting 18.900
Af: heffingskortingen 2.254
Per saldo belasting 16.646

Inkomensafhankelijke heffingskortingen

Maar Nederland zou Nederland niet zijn wanneer we het niet allemaal nog wat moeilijker zouden maken. De algemene heffingskorting en de arbeidskorting zijn namelijk inkomensafhankelijk. Naarmate je inkomen uit werk en woning (box 1) hoger is, wordt de korting lager.

Je hebt recht op de volledige algemene heffingskorting (van € 2.254; voor AOW-gerechtigden € 1.150) wanneer je inkomen in box 1 € 19.982 of minder bedraagt. Is je inkomen hoger dan dat bedrag, dan daalt je korting met 4,787% (voor AOW-gerechtigden: 2,441%) van elke euro boven € 19.982. Zit je met je inkomen boven € 67.067, dan bedraagt je algemene heffingskorting: nihil.

Een cijfermatig voorbeeldje:

Inkomen 42.500
Maximale korting 19.982
Overschrijding 22.518
Maximale korting 2.254
Verlaging korting (4,787%) 1.078
Resteert korting 1.176

Arbeidskorting

Iedereen die inkomen geniet uit tegenwoordige arbeid, heeft recht op de arbeidskorting. Tegenwoordige arbeid betekent dat je in het tijdvak daadwerkelijk arbeid hebt verricht.

De berekening van de arbeidskorting is nog complexer dan die van de algemene heffingskorting. De arbeidskorting wordt tot een inkomen uit tegenwoordige arbeid van € 32.444 steeds hoger (deze korting kan in 2017 oplopen tot € 3.223; voor AOW-gerechtigden; € 1.645). En bij hogere inkomens wordt de arbeidskorting vervolgens weer afgebouwd tot nihil.

LET OP: we hebben het over verschillende inkomensbegrippen. Bij de algemene korting gaat het om het inkomen in box 1. Terwijl voor de arbeidskorting het inkomen uit tegenwoordige arbeid van belang is. Voor de ouderenkorting moet je kijken naar het verzamelinkomen (zie hierna).
Leuker kunnen ze het bij de fiscus niet maken!

Uitbetaling aan minstverdiener

Wanneer één van beide partners niet voldoende inkomen geniet om zijn of haar algemene heffingskorting te effectueren, wordt die korting uitbetaald. Voorwaarde is dat het inkomen van de partner zodanig is dat de korting met de daarover verschuldigde belasting verrekend had kunnen worden. In de klassieke gezinssituatie is het vaak de vrouw die geen (of weinig) inkomen geniet. Daarom wordt deze regeling ook wel aangeduid met de term “aanrechtsubsidie”.

De uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende fiscale partner wordt afgebouwd. In 2017 wordt nog maximaal 40% van de korting uitbetaald (40% * € 2.254 = € 901).
Voor belastingplichtigen, die zijn geboren vóór 1 januari 1963, geldt deze afbouw niet.

Ouders

Voor mensen met kinderen is er nog de inkomensafhankelijke combinatiekorting (de overige aan het hebben van kinderen gekoppelde heffingskortingen zijn inmiddels weer afgeschaft). Om voor de korting (maximaal € 2.778) in aanmerking te komen, moet de ouder:

  • daadwerkelijk tegen een beloning werken (een arbeidsinkomen genieten van € 4.895 of meer, dan wel als ondernemer recht hebben op de zelfstandigenaftrek);
  • een gezamenlijke huishouding voeren met een kind dat op 1 januari van het jaar nog geen 12 jaar oud is.

Bij fiscaal partners krijgt de partner met het laagste inkomen de korting. LET OP: die partner moet dan wel zelf tegen een beloning werken.

Ouderen

Met ouderen worden bedoeld degenen die op 31 december van het belastingjaar recht hebben op AOW. Voor hen zijn er twee specifieke kortingen:

  • ouderenkorting;
  • alleenstaande ouderenkorting.

De ouderenkorting is inkomensafhankelijk. Tot een verzamelinkomen van € 36.057 bedraagt de korting € 1.292. Is het verzamelinkomen hoger, dan bedraagt de korting € 71.

De alleenstaande ouderenkorting is een vast bedrag (€ 438). Deze korting is voor de oudere die recht heeft op de AOW voor alleenstaanden.

Loonheffingskorting

Bij de inhouding van de loonheffingen wordt niet met alle heffingskortingen rekening gehouden. De loonheffingskorting omvat slechts de:

  • algemene heffingskorting;
  • arbeidskorting;
  • ouderenkorting;
  • alleenstaande ouderenkorting (alleen verwerkt door de SVB);
  • jonggehandicaptenkorting;
  • levensloopverlofkorting.

Je moet aan je werkgever doorgeven of je wilt dat rekening wordt gehouden met de loonheffingskorting.

Op de overige kortingen moet je, als ze van toepassing zijn, een beroep doen in je aangifte inkomstenbelasting.

LET OP: als je meerdere banen hebt en je laat bij al die banen rekening houden met de loonheffingskorting, kan je aangifte inkomstenbelasting leiden tot een (onverwacht) zeer fors bij te betalen bedrag.

Betalingskorting

Betalingskorting geeft de Belastingdienst op voorlopige aanslagen inkomsten- en vennootschapsbelasting:

  • waarop belasting moet worden betaald en
  • die worden opgelegd in het jaar waarop ze betrekking hebben en
  • die in één keer worden betaald vóór de eerste vervaltermijn.

Stel je ontvangt in december 2017 van de Belastingdienst een voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2018. Dagtekening van de aanslag is dan 1 januari 2018. De verschuldigde inkomstenbelasting bedraagt € 2.000, uiterlijk te betalen op 15 februari 2018.

De betalingskorting wordt berekend op basis van het tarief van de invorderingsrente. Dat tarief bedraagt op dit moment: 4%.
De rente op jaarbasis bedraagt: 4% * € 2.000 = € 80. Gerekend wordt met de gemiddelde rente, zijnde € 80 / 2 = € 40. De betaalperiode omvat 313 dagen (van 16 februari 2017 tot en met 31 december 2017), waardoor de betalingskorting uitkomt op (313/360) * € 40 = € 35.

Je betaalt dan uiterlijk 15 februari 2018: € 2.000 -/- € 35 = € 1.965.
Met de uiteindelijk verschuldigde inkomstenbelasting verreken je in je aangifte IB: € 2.000. Je daadwerkelijk voordeel bedraagt dan € 35.
Dat is, bij de huidige rentevergoedingen, aanzienlijk meer dan de rente die je ontvangt wanneer je het geld op je (spaar)rekening laat staan om zo laat mogelijk te betalen.
Je moet dan wel meteen het volledige bedrag van de voorlopige aanslag kunnen missen.

Andere artikelen

Afbetaling coronaschulden

Met ingang van oktober 2022 moeten ondernemers hun coronaschulden aflossen aan de Belastingdienst. We zetten de regels die daarbij gelden voor je...

Restwaarde leasefiets

De Staatssecretaris van Financiën heeft in een besluit een goedkeuring gegeven voor de bepaling van de restwaarde van een “leasefiets”.