22-07-2020

Geen Cyprusroute voor Nederlandse chauffeurs

Het Europese Hof van Justitie heeft beslist dat op Nederlandse chauffeurs in dienst van een Cypriotische werkgever niet de sociale zekerheidswetgeving van Cyprus van toepassing is. Hiermee lijkt de Cyprusroute afgesloten.

Cyprusroute

De Cyprusroute houdt in dat de chauffeurs een arbeidsovereenkomst sluiten met een op Cyprus gevestigde Ltd. Deze Ltd. sluit overeenkomsten met Nederlandse transportbedrijven op grond waarvan de chauffeurs voor deze transportbedrijven hun werkzaamheden in het kader van het internationale transport verrichten.

De Sociale VerzekeringsBank (SVB) is van mening dat deze chauffeurs in Nederland verzekerd zijn, met als gevolg (uiteraard) dat in Nederland premies zijn verschuldigd. De transportbedrijven menen dat de premies op Cyprus zijn verschuldigd. De premies op Cyprus zijn aanzienlijk lager dan die in Nederland.

Formeel of materieel

Het Hof beslist dat voor de verzekeringsplicht niet de formele, maar de materiële dienstbetrekking beslissend is.

De formele dienstbetrekking is er met de Cypriotische Ltd. Met de Ltd. is de arbeidsovereenkomst aangegaan.

Beslissend voor de vraag wie de werkgever van de chauffeur is, is echter de materiële dienstbetrekking. Die is er jegens degene, die:

  1. het feitelijke gezag over de chauffeur uitoefent;
  2. de loonkosten feitelijk draagt;
  3. feitelijk bevoegd is om de chauffeur te ontslaan.

De feiten zijn beslissend

Met deze uitspraak staat vast dat het begrip dienstbetrekking materieel moet worden getoetst. Maar de uitspraak betekent niet dat de Cyprusroute in alle gevallen geblokkeerd is. Daarvoor moet worden onderzocht hoe partijen daadwerkelijk met elkaar omgaan. Na een dergelijk onderzoek zou kunnen worden geconcludeerd dat in die situatie niet alleen de formele, maar ook de materiële dienstbetrekking op Cyprus ligt.

A1-verklaring

Daarnaast wordt de verzekeringsplicht voor de sociale verzekeringen binnen de Europese Unie vastgesteld met behulp van zogeheten A1-verklaringen. Deze verklaringen worden door lidstaten afgegeven zonder uitgebreid onderzoek. Een eenmaal afgegeven verklaring moet door andere lidstaten worden gerespecteerd. Wanneer uit onderzoek blijkt dat een afgegeven A1-verklaring in strijd is met de materiële dienstbetrekking, moet de betreffende lidstaat de lidstaat die de A1-verklaring heeft afgegeven, verzoeken om deze in te trekken.