27-08-2019

9% rente op familielening is niet zakelijk

Een rente van 9% op een familielening, die in 2015 is aangegaan, vindt Hof Den Haag te hoog. De Belastingdienst heeft de (zakelijke) rente terecht vastgesteld op 4,5%.

Familielening

Een familielening is een lening die door ouders wordt verstrekt aan een kind voor de (gedeeltelijke) financiering van de eigen woning van dat kind. Als de lening aan de voorwaarden voldoet, trekt het kind de rente af als eigen woningrente. Het kind ontvangt zo een deel van de betaalde rente terug van de Belastingdienst. Afhankelijk van het overige inkomen kan dit in 2015 oplopen naar 52% van de betaalde rente. Een rente van 9% levert dan, na belasting, een last op van slechts 4,32%.

De vordering van de ouders wordt bij hen belast als inkomen uit sparen en beleggen (box 3). Dat betekent dat niet de daadwerkelijk van het kind ontvangen rente wordt belast. Het inkomen wordt in box 3 namelijk forfaitair bepaald. In 2015 bedroeg het rendement in box 3: 4% en daarover was 30% belasting verschuldigd, ofwel een belastingdruk van 1,2% van de vordering. De ouders houden daardoor van de ontvangen 9% rente na belasting maar liefst 7,8% over.

Zakelijke rente

Het spreekt voor zich dat het fiscale voordeel aanleiding is om de rente aan de hoge kant vast te stellen. Hoe hoger de rente, hoe hoger immers het nominale fiscale voordeel. Dat het kind wordt geconfronteerd met een forse te betalen rente kan worden opgelost met een jaarlijkse schenking door de ouders aan het kind. Schenkbelasting (10%) is pas verschuldigd indien en voor zover het totaal van de schenkingen in een kalenderjaar de vrijstelling van ruim € 5.000 overschrijden.

Het Hof stelt vast dat uit door de Belastingdienst aangereikte stukken blijkt dat de gemiddelde hypotheekrente voor eigen woningen ten tijde van het sluiten van de familielening (2015)  3% bedroeg voor een lening met hypothecaire zekerheid en een rentevastperiode van 15 jaar. Het Hof stelt ook vast dat een bandbreedte, voor het bepalen van de hypotheekrente, van ongeveer 3% gangbaar was. Op basis van deze gegevens ligt de rente dan tussen 1,5% en 4,5%.

De (veel) hogere rente van 9% wordt door ouders en kind onderbouwd met de stelling dat het kind geen zekerheid heeft verstrekt. Als de Belastingdienst echter stelt dat het kind de rente en aflossing niet kan betalen, wordt onderbouwd dat de kans dat het kind in betalingsproblemen komt niet aanwezig is. Er wordt niet een andere verklaring gegeven voor de omstandigheid dat geen zekerheden zijn verstrekt. Daarom concludeert de rechter dat de lening alleen onder de gegeven omstandigheden is verstrekt vanwege de familierelatie. In de aanslag inkomstenbelasting van het kind wordt daarom terecht slechts rekening gehouden met slechts 4,5% rente op de familielening.